Hoe zit dat nou met die verjaring?

Schikking tijdens een procedure vastleggen in een proces-verbaal van comparitie

In een procedure wordt er een comparitie gelast en u komt met de wederpartij tot overeenstemming en treft u een schikking met elkaar. Deze schikking legt u vast in een proces-verbaal. U verkrijgt hiermee een executoriale titel, welke netjes is voorzien van “in naam des konings” en uitgegeven voor grosse.

U gaat ervan uit dat u vervolgens een titel heeft die u (of wij als advocatenkantoor voor u) in principe minimaal 20 jaren kunt executeren. Een vonnis van een rechter heeft namelijk een verjaringstermijn van 20 jaren. En daar gaat het mis.

Recent heeft de Hoge Raad zich hierover uitgelaten (ECLI:NL:HR:2015:3423) en oordeelde als volgt:

“Indien tijdens een comparitie van partijen een schikking tot stand komt, wordt, wanneer een partij dat verlangd, een proces-verbaal opgemaakt. Hierin worden de verbintenissen die partijen als gevolg van die schikking op zich nemen vastgelegd. Hoewel de uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in executoriale vorm (art. 87 lid 3 RV), wordt daarin derhalve de overeenkomst van partijen vastgelegd.

Art. 3:306 e.v. BW regelen de verjaring van rechtsvorderingen. Deze verjaring is tevens bepalend voor de verjaring van de met die rechtsvorderingen verbonden executoriale titels, met uitzondering van het bepaalde in art 3:324 BW. Nu de in het proces-verbaal vastgelegde vordering een vordering uit overeenkomst is, geld daarvoor ingevolge art 3:307 lid 1 BW een verjaringstermijn van vijf jaar. De omstandigheid dat de vordering is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie brengt niet met zich mee dat de verjaringstermijn van art 3:324 BW geldt. Dit omdat de vastlegging van een schikking in een proces-verbaal niet kan worden aangemerkt als een rechterlijke uitspraak.”

Als gevolg van deze uitlating verjaart het proces-verbaal reeds na het verstrijken van vijf jaren.

Inmiddels heeft de Rechtbank Rotterdam de bovenstaande overweging van de Hoge Raad overgenomen en toegepast in haar uitspraak (ECLI :NL:RBROT :2016:2394) .

Conclusie:

Voor een langere verjaringstermijn in wat grotere vorderingen, dus maar gewoon vonnis vragen.

mr H.G.J. Veldhuizen

Verjaard! Of toch niet….?

Binnen de incassobranche speelt het leerstuk van verjaring regelmatig een belangrijke rol. Het is namelijk zo dat als een geldvordering daadwerkelijk is verjaard, betaling van deze vordering (juridisch) niet meer kan worden afgedwongen. Een incassobureau inschakelen heeft dan niet meer het gewenste effect. De achterliggende gedachte van verjaring is bescherming: men moet niet na een lange periode nog geconfronteerd kunnen worden met oude claims en vorderingen. Aan de andere kant moet die bescherming niet doorslaan, waardoor er vele vorderingen niet meer juridisch kunnen worden afgedwongen.

Wanneer begint te verjaringstermijn te lopen?

De verjaringstermijn gaat lopen op het moment dat de vordering opeisbaar is. Bij een factuur lijkt het bepalen van de ‘startdatum’ van de verjaringstermijn eenvoudig te zijn, namelijk de vervaldatum. De situatie kan echter ingewikkelder worden, in het geval de schuldenaar betwist dat hij de factuur heeft ontvangen of ontkent dat hij ooit aanmaningen of ingebrekestellingen heeft ontvangen. Dat is een situatie die in de praktijk met regelmaat voorkomt en zeker binnen de incassobranche. Wij proberen dan ook altijd zo snel mogelijk in contact te komen met de desbetreffende debiteur. Dit om zo de ontvangst van zowel onze brieven als die van onze klant bevestigd te krijgen.

Een groot misverstand is dat een geldvordering altijd na 5 jaar per definitie is verjaard. Een vorderingsrecht, hetgeen in deze blog centraal staat, is namelijk pas verjaard, nadat de schuldenaar hierop na vijf jaar zelf een beroep heeft gedaan. De rechter mag verjaring dus niet ambtshalve toepassen (art. 3:222 BW). Na een geslaagd beroep op verjaring, verjaart alleen de rechtsvordering. Dat betekent dat een vordering niet meer met succes via een gerechtelijke procedure kan worden ingesteld. Wat er overblijft is een natuurlijk verbintenis (art. 6:3 e.v. BW). Dat houdt in dat de schuldenaar die na verjaring alsnog aan zijn betalingsverplichting voldoet, dit niet onverschuldigd doet.

Mocht er na een gerechtelijke procedure een vonnis volgen, heeft de schuldeiser weer te maken met een verjaringstermijn van 20 jaar, terwijl als er tijdens een zitting een schikking wordt getroffen, deze schikking wordt vastgelegd in een proces-verbaal. De verjaringstermijn van een proces-verbaal is, anders dan een vonnis, 5 jaar (meer informatie over verjaring bij een proces-verbaal zie hier).

Het is daarom altijd belangrijk om goed te weten wat voor soort vordering je als schuldeiser in handen hebt.

Stuiting van verjaring

Zijn bovengenoemde termijnen altijd zoals ze lijken te zijn? Uiteraard niet, we hebben namelijk te maken met het recht, hetgeen automatisch duidt op mogelijke uitzonderingen. De verjaring kan namelijk worden gestuit, zie art. 3: 316 e.v. BW. Stuiting betekent dat binnen de verjaringstermijn, de schuldeiser een schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling moet verzenden, waarin de schuldeiser zich ‘ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt’, aldus artikel 3:317 lid 1 BW. Dat betekent dat uit deze brief duidelijk moet blijken dat de schuldeiser alsnog betaling verlangt van zijn of haar vordering. Op dat moment begint een nieuwe (zelfde) verjaringstermijn te lopen. Echter, ook hier geldt een uitzondering en die heeft betrekking op het stuiten van een vonnis welke voortvloeit uit een vonnis. Indien de verjaringstermijn van 20 jaar (van een vonnis), vlak voor het einde van de 20 jaar wordt gestuit, gaat een nieuwe termijn van slechts 5 jaar lopen.

Conclusie

Het is dus mogelijk dat een vordering nooit verjaart (zo lang je als schuldeiser maar scherp bent)!

Wat nou als je als schuldeiser niet weet waar de schuldenaar zich bevindt? Houdt het dan op? Je kunt namelijk geen schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling verzenden. Daar is gelukkig wel wat op gevonden, de verjaring is dan alsnog te stuiten door openbaar een advertentie te plaatsen in een regionaal of landelijk dagblad. Nadeel: behoorlijk prijzig.

 

mr H.G.J. Veldhuizen

Debiteur koopt te veel op de pof

Het ‘op de pof’ kopen is een wereldwijd probleem. Is het slechts gemakzucht van de mens? Of is er meer aan de hand? Als je het sec bekijkt, is het een merkwaardig fenomeen. De debiteur koopt een product of dienst, terwijl men op dat moment niet over de financiële middelen beschikt om het beoogde aan te schaffen. Waarom koopt men op de pof? Wat drijft zo iemand? En wat ook interessant is om te weten: waar komt het vandaan, wat is de bakermat van deze verontrustende manier van aankopen doen?

De oorsprong van ‘op de pof’
Om achter de oorsprong te komen raadplegen we de site van Het Genootschap Onze Taal. Dat is de organisatie die jaarlijks het Dictee der Nederlandsche Taal van tevoren checkt. Een gerenommeerde organisatie dus. Wat zeggen zij over deze uitdrukking? Een pof wordt taaltechnisch gezien als een klap of een stomp. Daarom stellen zij: “Op de pof betekent oorspronkelijk: zoals je doet, als je er maar een slag naar slaat.” Zij geven aan dat dat vrij vertaald kan worden naar ‘op goed geluk’. De verkopende partij verlangt geen directe betaling en hoopt maar dat de betaling in een later stadium wel geschiedt.

De Verenigde Staten als bakermat
Er zijn natuurlijk landen die de kroon spannen en waar het ontbreken van een creditcard haast uit den boze is. In de Verenigde Staten is dat het geval. Zij worden wereldwijd gezien als een hardnekkige debiteur. Niet dat zij bewust wanbetaler willen zijn. Nee, dat niet. Maar daar wordt zo wat bijna alles gefinancierd met geleend geld. We kennen de beelden van enkele jaren geleden. Leegstaande huizen, omdat Amerikanen hun huur of hypotheek niet meer kunnen betalen. Maar wel: creditcard hier, creditcard daar. Vanaf de eeuwwisseling leven de Amerikanen al op de pof. Wellicht daarvoor ook al. Maar de tijden van hoogconjunctuur tot 2008 – het moment waarop de bankencrisis in Amerika ontstond – hebben dit fenomeen alleen maar aangewakkerd. Het is dus niet alleen de consument die van alles op krediet koopt. Nee, de Amerikaanse overheid doet doodleuk mee.

De Nederlandse consument als debiteur
Het is inderdaad gemakkelijk om nu te kopen en pas te betalen in 2015. Leuk, toch? Het is prettig dat de mogelijkheid bestaat, maar de kunst is er verantwoord mee om te gaan. Hoe zit dat in Nederland? De mogelijkheid om op krediet te kopen wordt ons massaal door bedrijven aangeboden. Dat kun je ze niet kwalijk nemen. Bedrijven nemen op deze wijze bij de consumenten een drempel weg, waardoor zij sneller overstag gaan en hun aankoop verrichten. Het innen van het openstaande bedrag komt later wel, al dan niet aangevuld met incassokosten, rente en/of administratiekosten. Willen we dit tegengaan, dan is onze eigen rol toch wel van belang. Maar blijkbaar is het moeilijk om ‘nee’ te zeggen en gewoon aan jezelf toe te geven dat je even het geld niet hebt.

Bron: onzetaal

Incasso verkeersboetes stuk ‘klantvriendelijker’

Het klinkt wat ironisch. In hoeverre kun je het betalen van een verkeersboete klantvriendelijk maken? Toch doet de politie in samenwerking met het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) haar best. De laatste jaren is er nog al wat geklaagd over de incasso van verkeersboetes. Het is niet eens zozeer de hoogte van het te betalen bedrag waarover gemopperd wordt. De onvrede richt zich meer op de ouderwetse manier- via de acceptgiro – waarop het verschuldigde bedrag moet worden betaald. Ten tweede was het ontbreken van bewijsmateriaal (beelden van de flitscamera) een doorn in het oog. En ten derde kon betreffende boetebedrag nimmer in termijnen worden betaald. Met de website www.mijnpolitie.nl verdwijnt voor velen een hoop ergernis.
Beelden vertellen alles

Laat automobilisten, fietsers en voetgangers direct weten welke overtreding is begaan. Dat moet de insteek van de politie zijn geweest. Voor de verkeersovertreder is het nu mogelijk via bovengenoemde site flitsfoto’s op te vragen. Alle twijfel omtrent een vermeende overtreding kan ter plekke worden weggenomen. “Dat kan niet. Op die plek ben ik helemaal niet geweest.” Het is een primaire reactie die we vaak horen op het moment dat die vervelende bekeuring op de deurmat ploft. Achteraf blijken we schoorvoetend hebben moeten toegeven, dat we op dat tijdstip toch op die plaats zijn geweest en inderdaad even maling hadden aan dat rode verkeerslicht.

Incasso verloopt veel soepeler

Wat is de achterliggende gedachte van deze insteek? Het zal uiteindelijk moeten leiden tot een vlottere incasso van het boetebedrag. Als beelden je vertellen dat de overtreding daadwerkelijk is begaan, gaat men sneller over tot betaling. Althans, dat is de verwachting. Heb je deze beelden niet tot je beschikking en twijfel je zelfs over de betreffende bekeuring – en wie heeft dat nooit gedaan? – dan ben je eerder geneigd de bekeuring voorlopig terzijde te schuiven. “Die ga ik echt niet betalen”, wordt dan vol bravoure geroepen. Ook wordt verondersteld dat de incasso’s nog sneller verlopen op het moment dat men de mogelijkheid heeft direct via iDeal te betalen. De politie heeft blijkbaar ingezien dat je het ‘de klant’ gemakkelijker moet maken.

Bovenstaande service – de zogenaamde BoeteVolgService – wordt verleend door diverse politiekorpsen. Momenteel is het zo dat nog niet alle politieregio’s in Nederland hieraan meedoen. Het is echter wel een prima opstap voor een in zijn algemeen klantvriendelijkere benadering van de verkeersovertreder. Beelden kunnen worden opgevraagd, boetes kunnen worden via iDeal en in sommige gevallen kan zelfs de boete in termijnen worden voldaan. Om te weten om je in aanmerking komt voor een termijnbetaling, kan de site van het CJIB worden geraadpleegd.

Onterechte incasso – wat te doen?

Onverhoopt kan het gebeuren dat je een bekeuring ontvangt waar je daadwerkelijk niets mee van doen hebt. Je bent nooit op ‘plaats delict’ geweest en zal er waarschijnlijk ook nooit komen. En toch heb je schijnbaar – althans, dat stelt het CJIB – op die betreffende plek een verkeersovertreding begaan. Wat te doen als je het écht niet eens bent met betreffende betaling of incasso? Neem eens contact op met Van Loon Incasso Advocaten.

Bron: www.mijnpolitie.nl

Plan B als de debiteur niet betaalt

Plan B. Waar hebben we het vaker gehoord? Volgens mij is Brazilië de plek waar deze term momenteel veel wordt gebezigd. Bondscoach Louis van Gaal is in optima forma als hij oreert over plan A, plan B en het moment waarop je het moet inzetten. Leuk en interessant om zijn gedachten te volgen of dat in ieder geval te trachten. En los van het WK in Brazilië is het in ieder geval nuttig om een alternatief achter de hand te hebben. Hebben bedrijven in de incassobranche ook een plan B? Of concreet gezegd: welk alternatief ligt er klaar op het moment dat een debiteur niet over de brug komt en de factuur niet wordt betaald?

Positieve benadering van de debiteur

Plan B is een populair onderwerp op het werk bij de koffieautomaat. Louis heeft het voor elkaar. Toch zijn er schijnbaar genoeg bedrijven in diverse branches die zoiets niet achter de hand hebben ten aanzien van betalingsgedrag van hun debiteuren. Blijkbaar is het menselijk pas te gaan nadenken over een alternatief als financiële zaken niet lopen zoals gewenst en de betalingen uitblijven. Eén alternatief om een beter betalingsgedrag te bewerkstelligen, wil ik uitlichten. En dat is een duidelijke en positieve benadering van de debiteur. Niet dat we hem korting moeten geven, als hij zijn factuur op tijd betaalt. Nee, dat gaat wellicht te ver. Maar misschien is het een goed idee om ook ons eigen gedrag eens onder de loep te nemen.

Ik kan me uw eerste reactie wel voorstellen. “Het is allemaal leuk bedacht. Moet ik mijn gedrag veranderen, omdat hij weigert te betalen?” Toch kan een positieve benadering helpen. Het is belangrijk om reeds in de voorbereidingsfase duidelijk met de klant te communiceren en gemaakte afspraken vast te leggen. Dit geeft echter niet de zekerheid dat de klant in een later stadium netjes de factuur gaat betalen. Mochten er nadien problemen zijn omtrent de betalingsverplichting, blijf dan op een normale wijze in gesprek met de debiteur. Het heeft als voordeel dat je als schuldeiser op de hoogte blijft van hetgeen er speelt bij de andere partij. Uiteindelijk is het aanbieden van een betalingsregeling een optie die doorgaans zeer wordt gewaardeerd. Een ander prettig aspect van een betalingsregeling is, dat je niet onnodig zit te wachten op iets wat toch niet komt. Dat scheelt een hoop ergernis.

Als ondernemer is het wenselijk hierover eens van gedachten te wisselen met een erkend incassobedrijf. Hoe benaderen zij een debiteur? Wat vinden zij van zo’n positieve benadering? En is die benadering toepasbaar in uw onderneming? Neem gerust vrijblijvend contact met Van Loon Incasso Advocaten. Wij hebben no cure no pay incasso als een erkend rechtsgebied en weten exact welke wegen ondernemers het best kunnen bewandelen om het betalingsgedrag van de debiteur op een positieve wijze te beïnvloeden.

Van Loon Incasso Advocaten, linker dan de rechter!

Incasseren openstaande rekeningen blijft lastig

Gek worden we ervan. De automatische incasso die steeds maar niet lukt. En aan een ‘vrijwillige’ betaling wordt ook geen gehoor gegeven. Als oprechte ondernemer doe je je best jouw bedrijf draaiende te houden. Het valt niet mee in deze tijd. De opdrachten zijn schaars. Maar desondanks is het je met kunst- en vliegwerk toch gelukt de toko operationeel te houden. Hard werken en eerlijk ondernemen. Dat is waar je trots op bent. Maar doet de ander dat ook? Betaalt elke opdrachtgever op tijd je openstaande facturen? En wat als sommige factuurbedragen helemáál niet worden betaald? Daar sta je dan met je goed fatsoen. Ondernemen is niet altijd leuk.

Incassoperikelen – elke ondernemer heeft er last van

Voor menig ondernemer kan dit fenomeen zomaar de nekslag zijn. Ondernemend Nederland heeft voor 2014 als doel gesteld openstaande facturen sneller te innen. Op welke manier dan ook. Zo’n 33 procent ziet daarin de grote uitdaging. Dat zegt een onderzoek dat is uitgevoerd door een van de grotere incassobureaus in Nederland. Ondernemers verwachten dat daarmee de meeste financiële sores verholpen kunnen worden. Natuurlijk kijken ondernemers kritisch naar de mogelijke kostenbesparingen binnen hun eigen bedrijf. Echter, de meeste winst (hoe ironisch dit ook moge klinken) kan worden geboekt met het beperken van wanbetalingen.

Incasso na 90 dagen is niet meer realistisch

Gebleken is dat 55 procent van de openstaande rekeningen na 90 dagen niet meer te incasseren is. Het maakt een hoop duidelijk. Namelijk dat in West-Europa – daar heeft het betreffende onderzoek zich op gericht – de betalingsmoraal niet al te bemoedigend is. Maar liefst 37 procent van de totaalwaarde van alle verstuurde rekeningen wordt te laat betaald. Veel bedrijven zien in deze ontwikkeling een groot gevaar. Niet de wankele economische situatie wordt als boosdoener gezien voor de malaise van sommige bedrijven. Nee, het stelselmatig niet kunnen incasseren bij opdrachtgevers wordt voorlopig beschouwd als het grootste ondernemersrisico.

Is de oplossing nabij? Dat valt moeilijk te zeggen. Wel is duidelijk dat we spreken over een hardnekkig probleem. Een oplossing zou nabij kunnen zijn op het moment dat het gros van de bedrijven over genoeg financiële middelen beschikt. De betalingsstroom zou hiermee op gang kunnen komen, waardoor meerdere ondernemers gemakkelijker aan hun betalingsverplichting kunnen voldoen. De vraag luidt vaak: “Is het onwil of onmacht?” Of beter gezegd, is de debiteur financieel gezien in staat om de openstaande factuur te betalen? Dat blijft de discussie. Het is echter wel een discussie met nare gevolgen voor veel ondernemers.

Incasso 360 miljard niet mogelijk

Er valt nog genoeg te wensen, als het gaat om de betalingsmoraal van de West-Europeaan. Wat te denken van het vervelende sneeuwbaleffect dat hierdoor kan ontstaan. Als de ene niet betaalt, krijgt de ander het ook niet voor elkaar. Het is een gevaar dat niet te onderschatten valt. We wijzen vaak naar bedrijven in landen als Spanje, Portugal of Griekenland, maar zelf zijn we ook niet helemaal zuiver op de graat. In totaal hebben ondernemingen in geheel Europa, waaronder dus ook Nederland, in 2013 360 miljard euro moeten afschrijven op oninbare facturen. Tja, dan wordt ondernemen best lastig.

Bron:  deondernemer.nl

Incassobureau – van goudmijn tot kolenmijn

De economisch slechte tijden hebben de afgelopen tijd voor nogal wat reuring gezorgd. Lege beurzen, broekriem aantrekken, pas op de plaats. Dat waren de termen die de afgelopen zes jaar – en nu overigens nog – regelmatig de revue passeerden. Particulieren bezochten prompt de voedselbank. En menig bedrijf probeerde met allerlei kunstgrepen de boel draaiende te houden. De rekeningen stapelden zich op. Incassobureaus kregen het drukker en drukker en stonden regelmatig op de stoep bij debiteuren en wanbetalers. Voor incassobureau’s leken het gouden tijden te worden. Maar voor vele is het anders gelopen.

Incassobureaus floreren. Toch?

Bovenstaande stelling wordt nog immer beweerd. Maar de waarheid is weerbarstiger dan het lijkt. Waar menigeen sprak over een goudmijn voor dit soort bureaus, is de term kolenmijn meer op zijn plaats. Net als voor elk ander bedrijf is het ook voor incassobureaus lastig zich in deze tijd staande te houden. Het gegeven dat je het druk hebt met het innen van openstaande schulden, wil niet zeggen dat je op het eind van het boekjaar prachtige cijfers kunt overleggen. Het probleem is dat een incassobureau steeds vaker dient te plukken van de kale kip. Kortom: waar geen geld is, valt niets te halen Hoe goed je je best ook doet.

De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat de incassobranche zich een aantal jaren geleden genoeglijk in de handen wreef. Er leken mooie tijden aan te breken voor de incassobureaus. Maar in 2010 – toen speelde zich dit allemaal af – was het blijkbaar nog niet duidelijk dat de crisis ons zo hard zou treffen. Later kwam ook bij hen het besef, dat de crisis niet te groot en te omvangrijk moest worden. Want dan zouden ook zij worden getroffen door dezelfde malaise. En het gebeurde. Debiteuren wilden hun rekeningen wel betalen, maar konden het simpelweg niet. Tja, wat doe je dan? Nog een aanmaning sturen?

Veel incassobureaus leggen het loodje

Dat veel relatief nieuwe incassobureaus ermee ophouden, is geen slechte ontwikkeling. Het kaf wordt van het koren gescheiden. Hoe pijnlijk dat soms ook is. De laatste jaren zijn er te veel van dit soort nieuwe ondernemingen gestart. Het kon niet goed blijven gaan en de minder stabiele bedrijven bleken snel om te vallen. Dat is in elke branche het geval. Daar is niets vreemds aan. Vanaf 2001 heeft er bijna een verdubbeling plaatsgevonden als het gaat om bedrijven die zich bezighielden met het incasseren van openstaande schulden. De markt laat dit blijkbaar niet toe en doet ongemerkt haar werk.

Ook de aangepaste regelgeving in de incassobranche zorgt voor een schifting. Waar in het verleden geen regels bestonden voor het bepalen van incassokosten (en dat waren nu juist de bedragen die zo aantrekkelijk waren), werden deze aangescherpt waardoor het verdienmodel plots minder aangenaam bleek. De toekomst voor de beginnende ondernemer in deze branche zag er ineens minder rooskleurig uit. Concreet: vroeger werd doodleuk 75 procent van de hoofdsom als incassokosten in rekening gebracht. Nu mag men bij een bedrag tot 2500 euro maximaal 15 procent van het betreffende bedrag doorberekenen. Voor menig incassobureau – misschien is in dezen gelukszoeker een betere benaming – was de lol er toen snel af. De markt normaliseert zich en dat lijkt hard nodig.

Bron:  faillissementsdossier.nl

Hoger Beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter? De appèlgrens van € 1.750,-

Deze week sprak ik een nieuwe klant die naar ons kantoor was gekomen na een verloren zaak bij de kantonrechter. Zijn voormalige raadsman had hem tot slot nog geschreven dat de klant niet in hoger beroep (appèl) kon gaan tegen het gewezen vonnis door de kantonrechter, omdat het bedrag onder de appèlgrens van € 1.750,- euro lag. De beste man had ongelijk! Hieronder zet ik uiteen hoe de appèlgrens werkt omdat dit vaak verkeerd begrepen wordt.

In de wet is bepaald dat partijen van een door de kantonrechter gewezen vonnis in hoger beroep kunnen komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,- euro of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,- euro, een en ander tenzij de wet anders bepaalt (voor kenners: artikel 332 Rv lid 1).

De gedachte achter de appèlgrens is dat geen hoger beroep mogelijk behoort te zijn in zaken waarvan het geringe financiële belang niet opweegt tegen kosten en inspanning die gemoeid zijn met de behandeling van de zaak in hoger beroep.

Tegen een vonnis van de Kantonrechter kan je dus in appèl komen bij het Gerechtshof indien en voor zover de vordering meer bedraagt dan de appèlgrens van € 1.750,- euro. Maar wat wordt nu tot dat magische bedrag van € 1.750,- euro gerekend?

Niet relevant is wat de Kantonrechter al dan niet heeft toegewezen, maar leidend is het bedrag dat bij dagvaarding is gevorderd.

Het is een optelsom van de gevorderde hoofdsom, de gevorderde incassokosten en de gevorderde rente tot op datum van dagvaarding (nadien verschuldigde rente wordt daarbij niet meegerekend). Als de tegenpartij een tegenvordering (reconventionele vordering) instelt, dan moeten beide vorderingen bij elkaar worden opgeteld. Voor de reconventionele vordering telt mee de gevorderde rente tot de dag dat de reconventionele vordering is ingesteld. Let op!, als je gedurende de procedure je vordering wijzigt, telt die wijziging mee voor de appèlgrens! Proceskosten tellen niet mee voor bepaling van de appèlgrens (voor kenners: de proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv tellen wel weer mee)

Het moment van dagvaarden kan dus relevant zijn voor de vraag of het instellen van hoger beroep mogelijk is. Net als het wijzigen van je eis tijdens de procedure. Door hier tactisch mee om te gaan, kan je dus in sommige gevallen hier je voordeel mee doen. Bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat jezelf in hoger beroep kunt of dat jullie beiden niet in appèl kunnen gaan tegen de uitspraak van de Kantonrechter.

Gaat het om een vordering van onbepaalde waarde, dan kan je niet in hoger beroep als er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering niet meer bedraagt dan € 1.750,- euro. Dit laatste geldt niet als de wet anders bepaalt.

Een interessante uitspraak over de vraag of een vordering van onbepaalde waarde de appèlgrens heeft overschreden is die van het Gerechtshof (deeplink.rechtspraak.nl).

Van Loon Incasso Advocaten, Linker dan de Rechter!

Burger vertrouwt incasso niet meer

Incasso’s hebben bij de Nederlandse burger een negatief imago. Dit fenomeen is niet van gisteren, en het zal waarschijnlijk niet snel veranderen. Maar waar komt het vandaan? Waarom wordt in Nederland de (automatische) incasso bij voorbaat al gewantrouwd? Nederlanders hebben doorgaans sterk het gevoel dat de verrichte incasso’s niet juist zijn. Het negatieve gevoel is zelfs zo erg dat 82 procent van de Nederlandse bevolking de afgelopen jaren het vertrouwen in de incasserende partij volledig heeft opgezegd. Maar waarom eigenlijk? Voorlopig blijkt nergens uit dat de betrokken partijen massaal onjuist incasseren.

Incasso’s worden niet vertrouwd
De bedragen die worden geïnd voor energie, verzekeringen en de huur of hypotheek worden tegenwoordig minutieus door de klant bekeken. De meeste Nederlanders blijken alles na te pluizen. Is de beloofde korting doorgevoerd? Staat het aantal belminuten correct vermeld? Klopt het eindbedrag? Dat Nederlanders op hun centen zitten, wisten we al. Daar lijkt vooralsnog niets mis mee. We staan bekend als een zuinig volkje dat door het buitenland nogal eens bespot wordt. Maar van waaruit is het wantrouwen ontstaan? Waarom krijgt de incasserende partij al bij voorbaat de rol van boeman toebedeeld?

De Erasmus Universiteit uit Rotterdam deed onlangs onderzoek naar het imago van incasso’s en incassobureaus. Zoals verwacht had de uitkomst van dit onderzoek een negatief karakter. Deels valt het te verklaren. Incassobureaus zijn nu eenmaal vaak bezig met impopulaire werkzaamheden. Het innen van openstaande bedragen en het ‘dwingen’ van debiteuren om tot betaling over te gaan, wordt zelden als een positieve bezigheid beschouwd. Daar valt niet zo veel aan te veranderen. Toch hangt er een omslag in de lucht.

De afgelopen jaren was het slecht gesteld met onze economie. Het heeft er echter wel voor gezorgd dat we steeds vaker met incassobureaus in aanraking zijn gekomen. Het niet kunnen betalen van een rekening overkomt ons steeds vaker, en we hoeven ons er – in tegenstelling tot bijvoorbeeld een decennium geleden – niet eens voor te schamen. Op het moment dat we in contact treden met ‘de mens’ achter het incassobureau, blijkt deze persoon prompt heel aardig en schappelijk te zijn. De betrokken medewerker – die aanvankelijk als stugge boekhouder of onbuigzame ambtenaar werd beschouwd – denkt volop mee aan een oplossing en stelt de klant centraal. Plots worden we min of meer genoodzaakt, zij het soms met enige schaamte, het negatieve beeld bij te stellen.

Bron: ad.nl

Wanbetaler grootste bedreiging voor winst

Een derde van de Nederlandse ondernemers denkt dat het niet kunnen innen van openstaande facturen dit jaar de grootste bedreiging vormt voor de winstgevendheid van hun bedrijf. Dat is hoger dan het gemiddelde in West-Europa (29,6 procent).

‘Wanbetaler grootste bedreiging voor winst’
Dat concludeert Atradius, Nederlands grootste kredietverzekeraar, woensdag in een jaarlijks onderzoek naar betaalgedrag van het Europese bedrijfsleven.Volgens de onderzoekers wordt in Nederland gemiddeld 32,7 procent van de facturen te laat voldaan. In West-Europa ligt dit percentage aanzienlijk hoger: 37,6 procent. Bedrijven in Turkije, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Italië worden het meest geplaagd door wanbetalers. Ondernemers in Denemarken, Zweden en Oostenrijk hebben hier het minst last van. Ook het bedrijfsleven in Griekenland heeft het innen van facturen volgens de onderzoekers ”verrassend goed” onder controle.

Geldgebrek is de belangrijkste oorzaak voor de wanbetalingen van afnemers. Volgens Atradius is het aantal ondernemers in de eurozone dat zijn rekeningen niet meer kan betalen verdubbeld vergeleken met voor de crisis in 2008. Meer dan de helft (gemiddeld 55 procent) van onbetaalde facturen is oninbaar indien deze niet binnen 90 dagen zijn betaald, stellen de onderzoekers.

Atradius hield het onderzoek onder bijna 3.000 ondernemers in veertien West-Europese landen.

Door: ANP en www.nu.nl